Interview met Elly Abbenhuis
Mag ik mij even voorstellen. Mijn naam is Elly Abbenhuis-Van Dissel.
Mijn wiegje stond in 1928 in Indonesië. Ik ben de oudste uit een gezin
met 6 kinderen. Tot mijn 12de jaar verbleef ik samen met mijn broertje
bij mijn oma, oom en tante omdat mijn vader als rijksambtenaar naar
Atjeh werd overgeplaatst waar geen Nederlandstalige scholen waren.
In 1941 vond de gezinshereniging plaats vlak voor de Japanse inval.
Mijn ouders woonden toen in Siantar (Noord-Sumatra). Met de komst van
de Japanners werden door de Indonesiërs de 80 huizen van de Nederlanders
in dat stadje leeggeroofd. Onze trouwe bedienden hebben ons toen helpen
vluchten door ons met hun kleding te vermommen. In een naburig ziekenhuis
werden we opgevangen. Dit werd ons eerste Jappenkamp. Na 3 maanden werden alle mannen en
jongens vanaf 12 jaar naar een ander kamp gebracht. Daarna zijn wij nog in 4 ander kampen
ondergebracht. Vlak voor de Japanse capitulatie beloofden de Jappen dat ons gezin weer
herenigd zou worden. We moesten helpen graven om nieuwe barakken te bouwen wat later bleek
dat we ons eigen graf aan het delven waren. Gelukkig kwamen de geallieerden ons bevrijden.
Eindelijk bevrijd! dachten we na 3,5 jaar. In geblindeerde treinen met matrassen tegen de
zijkant werden wij vervoerd naar Medan, de hoofdstad van Sumatra. En ja hoor, we zaten weer
in een kamp. Hier werden we bewaakt door geallieerden omdat we door de bevolking werden
belaagd. Mijn vader en broer waren door de ontberingen in het Jappenkamp zwaar ziek.
Hierdoor mochten wij in 1946 naar Nederland. Wij kwamen in Noordwijk aan Zee terecht.
Daarna werd aan ons een pastorie in Oltdeholtwolde in Friesland toegewezen. In 1948 moest
pa terug naar Sumatra omdat hij nog niet pensioengerechtigd was. Na 3 maanden volgden wij
hem op een broer na, die de Marine diende. Na 2 jaar keken we onze ogen uit omdat pa ons
allen kwam ophalen zonder militaire begeleiding want de schrik zat ons nog behoorlijk in
de benen na de oorlog. Wat de geallieerden niet konden verwezenlijken hadden onze mannen
voor elkaar gekregen. Zij beveiligden de hoofdwegen, daar ontmoette ik mijn man Jan
Abbenhuis. In augustus 1950 zijn wij getrouwd en hebben ± 1 jaar bij zijn ouders in de
Plataanstraat gewoond. Met 12 personen in het huisje was het er oergezellig. Elke week
gingen we naar het badhuis in de Fellenoordstraat omdat er toen geen baden in de huizen
waren. Na vele aanvragen voor een eigen nestje is het ons toch gelukt door de hulp van
prins Bernhard.
Hier in Heuvel kwamen wij in de Olivier van Noordstraat te wonen in een huisje met een
douche. We waren de koning te rijk in december 1951. De Heuvel was toen net in aanbouw en
op het Dr. Struyckenplein was een gezellig winkelcentrum. Mia Vennings en de langst
bestaande winkel annnex postkantoortje is toch die van dhr. Adank, de Blauwe Winkel. Hij
kent zijn klanten van toen nog steeds bij naam. In 1953 - '54 werden de woningen aan het
Dr. Ariënsplein gebouwd. Het was liefde op het eerste gezicht. Ons huisje werd te klein
toen ons 2de kindje op komst was. Met veel geluk konden we in 1954 door een driehoeksruil
op het plein gaan wonen.
In 1978 kwamen er gebreken aan de huizen. Door alle klachten ontstond de werkgroep
Dr. Ariënsplein. Daar de werkgroep uit mannen bestond, die overdag moesten werken zijn
Loes Bouwmeester (momenteel beheerster van buurthuis de Keet) en ik in deze werkgroep
beland. Het was knokken geblazen en het duurde 5 jaar eer er aan onze eisen werd voldaan.
Het resultaat mag gezien worden. Zo zijn Jan en ik in het Wijkcomité verzeild geraakt.
In 1983 zijn we verder gegaan door met 8 man de werkgroep Ouderenproject op te richten.
Er woonden veel bejaarde mensen in de wijk waar nauwelijks voorzieningen voor waren
getroffen. Na 3 jaar modderen werden we geholpen door de gemeente, S.O.B., het S.C.W.,
verschillend ouderenbonden en mw. De Weert van de Ouder-Sociëteit. Wij zijn trots op de
resultaten, die er nu zijn zoals Maria-Mediatrix en Steunpunt de Brink waar het
Ouderenproject de naam aan mocht geven. Daarna de Breda Aa Oranjeboomstraat en de
Melkfabriek aan de Mastbosstraat. Niet alleen hebben wij voor de ouderen deze woningen
gerealiseerd maar ook aanpassingen aan bestaande woningen zodat de ouderen er kunnen
blijven wonen. Wij zijn er nog lang niet klaar. Zo bekijken we de straten waar zich
eventueel obstakels bevinden, oversteekplaatsen, bereikbaarheid van winkels en openbare
gebouwen. Inmiddels is de helft van de mensen van het ouderenproject weggevallen door
verhuizing e.d. Vergrijzing kunnen we niet tegen houden maar het wel vergemakkelijken
voor de volgende generatie. Hierbij slaak ik een kreet om vrijwilligers, die ons willen
bijstaan. Wij vergaderen 1 keer in de maand en worden bijgestaan door S.O.B., S.C.W. en
Wijkbelang. Verder hebben we in 1992 carnavalsvereniging Ut Euveltje mogen helpen
oprichten, 3 jaar zijn we erbij geweest. Ook denk ik aan de gezellige tijd dat ik in de
Vlieren heb mogen helpen. Met dank aan het bestuur, beheerder en medewerkers voor de
gezellige tijd, die ik daar heb gehad. Ik wil de S.C.W.-medewerkers en Buurtmeesters
niet vergeten, die altijd voor mij klaar staan. Zo heb ik vele vrienden in het
wijkgebeuren gemaakt. Dat gaf me kracht en sterkte om verder te gaan na het overlijden
van mijn man.
Elly Abbenhuis.
Terug naar bestuur
|